Klaar!
Klaar bn, bw; -der, -st 1 helder; doorschijnend 2 duidelijk: klare taal 3 in een toestand van gereedheid: iets ~ houden, ~leggen, ~zetten; bedrijfsklaar, hapklaar; ~ zijn met iets het voltooid hebben
Klaar. Deze website is, hoewel de echte inhoud pas geleidelijk komt, klaar, maar ook ik ben klaar. Klaar om te vertrekken richting Amerika voor de grote reis. Een roadtrip, studeren in Wisconsin, afsluiten met kerst in New York. 5 maanden weg van thuis, weg uit Elsloo, weg uit Utrecht, weg uit Nederland. Ik weet dat het niet altijd makkelijk zal zijn, maar als ik woensdagochtend in het vliegtuig stap weet ik wel zeker dat ík er klaar voor ben. Klaar voor een nieuwe fase.
De voorbereiding heeft maanden geduurd, ik heb aardig wat selecties en gesprekken gehad en ze allemaal gehaald en doorstaan. De welkomstbrief uit Madison, WI zit in het koffertje, het paspoort ligt klaar en het grote koffer met kleding is ook al grotendeels gevuld. Het is nog een paar dagen aftellen, maar met morgen een afscheidsborreltje voor familie en alle voorbereidingen voor de roadtrip eindelijk afgerond komt het toch wel erg dichtbij.
De reis waar ik altijd van gedroomd heb, ik ga 'm komende week maken en wil jullie ook een beetje op mijn reis meenemen aan de hand van de vele reisverslagen en foto's die hier zullen verschijnen gedurende de 5 maanden die ik in de Verenigde Staten zit.
Foto's verschijnen overigens vrijwel altijd klein, maar zijn klikbaar en komen dan groot en scherp op je beeldscherm. Vandaag is er alleen de foto van mijn koffers. Die zijn bijna klaar. Ik ben klaar. Het is alleen te hopen dat Amerika ook klaar voor mij is...
